NEDERLANDS
🇳🇱

    Carpool

    uncommonZipf 2.3

    werkwoord; zelfstandig naamwoord, enkelvoud

    • carpoolen

      Werkwoord/'kɑrpuːlən; 'kɑrpuːlə/

      infinitief

      carpoolen

      tegenwoordige tijd

      carpoolcarpooltcarpoolen

      verleden tijd

      carpooldecarpoolden

      tegenwoordig deelwoord

      carpoolendcarpoolende
    • de carpool

      Zelfstandig naamwoord/'kɑrpuːl/

      enkelvoud

      carpool

      meervoud

      carpools

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren