NEDERLANDS
↓↑Enter →
  • 11Datum(de)
    Zelfstandig naamwoordkalender datum
  • 22Datum(het)
    Zelfstandig naamwoordtijdstip van gebeurtenis

Bladeren

WoordenboekWoordenschatMijn woordenRecente woorden
NEDERLANDS
↓↑Enter →
🇳🇱
  • 11Datum(de)
    Zelfstandig naamwoordkalender datum
  • 22Datum(het)
    Zelfstandig naamwoordtijdstip van gebeurtenis
  1. NEDERLANDS
  2. /Woordenboek
  3. /Datums
WoordenboekDatums

Datums

  • dedatum

    Zelfstandig naamwoord

    kalender datum

    1. dag van de maand of het jaarVandaag is het de vijftiende augustus.
    2. specifieke tijdsaanduidingDe afspraak is gepland voor volgende week.
    3. een gegeven op een kalenderVandaag zie ik de datum op de kalender.
  • hetdatum

    Zelfstandig naamwoord

    tijdstip van gebeurtenis

    1. de aanduiding van een bepaalde dag in een bepaalde maand en jaarDe tijdsaanduiding op de kalender is belangrijk voor het plannen van evenementen.
    2. een specifieke gebeurtenis die op een bepaalde datum plaatsvondDe gebeurtenis vond plaats in 1965.
    3. in een lijst of kalender een genoteerde dagIk schrijf de belangrijke datums in mijn agenda.

Verwante woorden

datadatum

Blijf leren

Meest voorkomende Nederlandse woordenOefenen