Ervandoor
ervandoor
Bijwoordplotseling weggaan; snel verdwijnen
vertrekken/weglopen
plotseling en snel weggaan van een plaats, vaak om te ontsnappen
Toen de politie arriveerde, ging de verdachte ervandoor.
weggaan met iets/zonder te betalen
snel weggaan terwijl je iets meeneemt of zonder te betalen
De dief ging ervandoor met mijn portemonnee.
ervandoor gaaner vandoor gaanervandoor lopenervandoor rennenervandoor met