NEDERLANDS
🇳🇱

    Flans

    uncommonZipf 2.1

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de flan

      Zelfstandig naamwoord/'flɑn; 'flɑ͂ː/

      enkelvoud

      flan

      meervoud

      flans
    • flansen

      Werkwoord/'flɑnsən; 'flɑnsə/

      infinitief

      flansen

      tegenwoordige tijd

      flansflanstflansen

      verleden tijd

      flansteflansten

      tegenwoordig deelwoord

      flansendflansende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren