NEDERLANDS
🇳🇱

    Frutselen

    uncommonZipf 1.8

    werkwoord

    • frutselen

      Werkwoord/'frʏtsələn; 'frʏtsələ/

      infinitief

      frutselen

      tegenwoordige tijd

      frutselfrutseltfrutselen

      verleden tijd

      frutseldefrutselden

      tegenwoordig deelwoord

      frutselendfrutselende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren