NEDERLANDS
🇳🇱

    Imker

    uncommonZipf 2.3

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de imker

      Zelfstandig naamwoord/'ɪmkər/

      enkelvoud

      imker

      meervoud

      imkers
    • imkeren

      Werkwoord/'ɪmkərən; 'ɪmkərə/

      infinitief

      imkeren

      tegenwoordige tijd

      imkerimkertimkeren

      verleden tijd

      imkerdeimkerden

      tegenwoordig deelwoord

      imkerendimkerende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren