NEDERLANDS
🇳🇱

    Implanteren

    uncommonZipf 2.7

    werkwoord

    • implanteren

      Werkwoord/ɪmplɑn'terən; ɪmplɑn'terə/

      infinitief

      implanteren

      tegenwoordige tijd

      implanteerimplanteertimplanteren

      verleden tijd

      implanteerdeimplanteerden

      tegenwoordig deelwoord

      implanterendimplanterende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.