NEDERLANDS
🇳🇱

    Instroom

    B1uncommonZipf 2.1

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de instroom

      Zelfstandig naamwoord/'ɪnstrom/

      enkelvoud

      instroominstroompje

      meervoud

      instromeninstroompjes
    • instromen

      Werkwoord/'ɪnstromən; 'ɪnstromə/

      infinitief

      instromen

      tegenwoordige tijd

      stroom ininstroomstroomt ininstroomtstromen ininstromen

      verleden tijd

      stroomde ininstroomdestroomden ininstroomden

      tegenwoordig deelwoord

      instromendinstromende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.