NEDERLANDS
🇳🇱

    Jutten

    uncommonZipf 2.6

    juttepeer; inwoner; persoon; boom

    • de jut

      Zelfstandig naamwoord/'jʏt/

      juttepeer

      enkelvoud

      jut

      meervoud

      jutten
    • de Jut

      Zelfstandig naamwoord/'jʏt/

      inwoner; persoon

      enkelvoud

      Jut

      meervoud

      Jutten
    • de jut

      Zelfstandig naamwoord/'jʏt/

      boom

      enkelvoud

      jut

      meervoud

      jutten
    • jutten

      Werkwoord/'jʏtən; 'jʏtə/

      infinitief

      jutten

      tegenwoordige tijd

      jutjutten

      verleden tijd

      juttejutten

      tegenwoordig deelwoord

      juttendjuttende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.