NEDERLANDS
🇳🇱

    Kaak

    commonZipf 3.7

    monddeel; strafwerktuig; koek

    • de kaak

      Zelfstandig naamwoord/'kak/

      monddeel

      enkelvoud

      kaakkaakje

      meervoud

      kakenkaakjes
    • de kaak

      Zelfstandig naamwoord/'kak/

      strafwerktuig

      enkelvoud

      kaakkaakje

      meervoud

      kakenkaakjes
    • de kaak

      Zelfstandig naamwoord/'kak/

      koek

      enkelvoud

      kaakkaakje

      meervoud

      kakenkaakjes
    • kaken

      Werkwoord/'kakən; 'kakə/

      infinitief

      kaken

      tegenwoordige tijd

      kaakkaaktkaken

      verleden tijd

      kaaktekaakten

      tegenwoordig deelwoord

      kakendkakende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren