NEDERLANDS
🇳🇱
  • Kalkoen(de)
    Zelfstandig naamwoordvogel
  • Kalkoen(de)
    Zelfstandig naamwoorddeel hoefijzer

Kalkoen

  • dekalkoen

    Zelfstandig naamwoord

    vogel

    1. vogel

      Een grote tamme vogel die mensen houden voor vlees; heeft een brede borst en een naakte huid rond de kop.

      We hebben de kalkoen in de oven gezet voor het feest.

    2. informeel — mislukking

      Informele naam voor iets dat slecht is of een flop (bijv. een slechte film, voorstelling of idee).

      Die nieuwe komedie was een echte kalkoen; het publiek lachte niet.

    gevulde kalkoenkalkoen bradenkalkoenfiletkalkoenboutkalkoenen fokken
  • dekalkoen

    Zelfstandig naamwoord

    deel hoefijzer

    1. vogel

      Grote vogel die vaak door mensen wordt gehouden voor het vlees; wordt bij feestdagen gegeten.

      Met kerst eten we altijd de kalkoen.

    2. smeedwerk

      Een onderdeel van een hoefijzer; een stuk metaal dat bij het hoefijzer hoort.

      De kalkoen van het hoefijzer was versleten, dus de smid verving hem.

    geroosterde kalkoenkerstkalkoenwilde kalkoenkalkoenfiletkalkoenei

Blijf leren