NEDERLANDS
🇳🇱

    Klepel

    uncommonZipf 2.1

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de klepel

      Zelfstandig naamwoord/'klepəl/

      enkelvoud

      klepelklepeltje

      meervoud

      klepelsklepeltjes
    • klepelen

      Werkwoord/'klepələn; 'klepələ/

      infinitief

      klepelen

      tegenwoordige tijd

      klepelklepeltklepelen

      verleden tijd

      klepeldeklepelden

      tegenwoordig deelwoord

      klepelendklepelende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren