NEDERLANDS
🇳🇱
  • Klok(de)
    Zelfstandig naamwoordslok
  • Klok(de)
    Zelfstandig naamwoordklokhen
  • Klok(de)
    Zelfstandig naamwoordvoorwerp
  • Klokken
    Werkwoordtijd meten als een klok vallen
  • Klokken
    Werkwoordeen klokkend geluid maken

Klok

  • deklok

    Zelfstandig naamwoord

    slok

    1. drinken

      Een hoeveelheid vloeistof die je in één keer drinkt; een slok.

      Na het sporten nam hij de klok uit zijn fles.

  • deklok

    Zelfstandig naamwoord

    klokhen

    1. basis

      klokhen

  • deklok

    Zelfstandig naamwoord

    voorwerp

    1. uurwerk

      Een voorwerp waarmee je kunt zien hoe laat het is, bijvoorbeeld een wandklok of tafelklok.

      De klok aan de muur geeft altijd de juiste tijd.

    2. bel

      Een grote bel in een kerk of toren die geluid maakt, bijvoorbeeld om het uur.

      De klok in de kerktoren luidt om twaalf uur.

    de klok luidtde klok tiktop de klok kijkende klok slaatwandklok
  • klokken

    Werkwoord

    tijd meten als een klok vallen

    1. basis

      tijd meten als een klok vallen

  • klokken

    Werkwoord

    een klokkend geluid maken

    1. geluid

      Een geluid maken zoals een klok of bel; luiden.

      De kerkklokken klokken elke ochtend om acht uur.

Blijf leren