Klok
deklok
Zelfstandig naamwoordslok
drinken
Een hoeveelheid vloeistof die je in één keer drinkt; een slok.
Na het sporten nam hij de klok uit zijn fles.
deklok
Zelfstandig naamwoordklokhen
basis
klokhen
deklok
Zelfstandig naamwoordvoorwerp
uurwerk
Een voorwerp waarmee je kunt zien hoe laat het is, bijvoorbeeld een wandklok of tafelklok.
De klok aan de muur geeft altijd de juiste tijd.
bel
Een grote bel in een kerk of toren die geluid maakt, bijvoorbeeld om het uur.
De klok in de kerktoren luidt om twaalf uur.
de klok luidtde klok tiktop de klok kijkende klok slaatwandklokklokken
Werkwoordtijd meten als een klok vallen
basis
tijd meten als een klok vallen
klokken
Werkwoordeen klokkend geluid maken
geluid
Een geluid maken zoals een klok of bel; luiden.
De kerkklokken klokken elke ochtend om acht uur.