NEDERLANDS
🇳🇱

    Kruk

    A2commonZipf 3.4

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de kruk

      Zelfstandig naamwoord/'krʏk/

      enkelvoud

      krukkrukje

      meervoud

      krukkenkrukjes
    • krukken

      Werkwoord/'krʏkən; 'krʏkə/

      infinitief

      krukken

      tegenwoordige tijd

      krukkruktkrukken

      verleden tijd

      kruktekrukten

      tegenwoordig deelwoord

      krukkendkrukkende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren