Los
delos
Zelfstandig naamwoordlot in loterij
- een briefje als bewijs van deelname aan een loterijHij verkocht lossen op de kermis.
lossen
Werkwoordafladen of oplossen
- goederen van een voertuig of schip afhalenIk los de boodschappen even uit de auto.
- een raadsel of probleem oplossenSamen losten we het hele raadsel in een uur.
- een schot afvuren met een vuurwapenDe soldaat loste drie schoten.
los
Bijvoeglijk naamwoordniet vast
- niet vastzittend of niet bevestigdMijn schoenveter is los.
- afzonderlijk of op zichzelf staandEr liggen nog wat losse papieren op het bureau.
- los van: afgezien van, onafhankelijk vanLos van het weer wordt het sowieso een leuke dag.