Mal
mal
Bijvoeglijk naamwoordgek, raar
gek/raar
Iets of iemand dat mal is, gedraagt zich vreemd of lijkt gek; vaak informeel gezegd.
Ben je mal?
ben je malmal wordenmalle fratseneen mal ideemalle mutshetmal
Zelfstandig naamwoordzotheid
zotheid
Gek of dwaas gedrag; een domme of grappige handeling die je als zotheid noemt.
Het malletje dat hij uithaalde, maakte iedereen aan het lachen.
demal
Zelfstandig naamwoordidioot
persoon (informeel)
Iemand die dom doet of niet goed nadenkt; vaak een onvriendelijk woord voor iemand.
Ze noemen hem de mal van de klas.
demal
Zelfstandig naamwoordpatroon (vorm)
vorm
Een holle of vaste vorm die je gebruikt om iets te maken of te gieten, bijvoorbeeld voor taarten, chocolade of beelden.
De bakker gebruikte een mal om de taart te vormen.
sjabloon/patroon
Een plat stuk papier, karton of materiaal dat je als voorbeeld gebruikt om stof of ander materiaal te tekenen of te knippen.
De kleermaker legt de mal op de stof en knipt eromheen.
taartmalkoekjesmalsiliconenmalgipsmalmallen makenmallen
Werkwoorddollen
dollen
Grappig of speels doen; iemand plagen zonder het serieus te menen.
Ze zaten de hele middag te mallen in het park.
met iemand mallende hele tijd mallenmallen
Werkwoordiets met een mal vormen
vormen
Iets (bijvoorbeeld kunststof, metaal of klei) met behulp van een mal in een bepaalde vorm bewerken.
De werkers malden de kunststofdelen in een siliconenmal.
iets mallenin een mal mallenmet een mal mallenmallen en gieten