NEDERLANDS
🇳🇱

    Naspelen

    uncommonZipf 2.6

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • het naspel

      Zelfstandig naamwoord/'naspɛl/

      /spellen-of-spelen

      enkelvoud

      naspel

      meervoud

      naspelen
    • naspelen

      Werkwoord/'naspelən; 'naspelə/

      infinitief

      naspelen

      tegenwoordige tijd

      speel nanaspeelspeelt nanaspeeltspelen nanaspelen

      verleden tijd

      speelde nanaspeeldespeelden nanaspeelden

      tegenwoordig deelwoord

      naspelendnaspelende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren