NEDERLANDS
🇳🇱

    Nut

    A2top5000Zipf 4.1

    adjectief; zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • nut

      Bijvoeglijk naamwoord/'nʏt/

      stellende trap

      nutnuttenuts

      vergrotende trap

      nutternutterenutters

      overtreffende trap

      nutstnutste
    • het nut

      Zelfstandig naamwoord/'nʏt/

      enkelvoud

      nut
    • nutten

      Werkwoord/'nʏtən; 'nʏtə/

      infinitief

      nutten

      tegenwoordige tijd

      nutnutten

      verleden tijd

      nuttenutten

      tegenwoordig deelwoord

      nuttendnuttende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.