NEDERLANDS
🇳🇱

    Ontspruiten

    uncommonZipf 2.4

    werkwoord

    • ontspruiten

      Werkwoord/ɔnt'sprœytən; ɔnt'sprœytə/

      infinitief

      ontspruiten

      tegenwoordige tijd

      ontspruitontspruiten

      verleden tijd

      ontsprootontsproten

      tegenwoordig deelwoord

      ontspruitendontspruitende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren