NEDERLANDS
🇳🇱

    Oprukkende

    uncommonZipf 2.3

    werkwoord; adjectief

    • oprukken

      Werkwoord/'ɔprʏkən; 'ɔprʏkə/

      infinitief

      oprukken

      tegenwoordige tijd

      ruk opoprukrukt opopruktrukken opoprukken

      verleden tijd

      rukte opoprukterukten opoprukten

      tegenwoordig deelwoord

      oprukkendoprukkende
    • oprukkend

      Bijvoeglijk naamwoord/'ɔprʏkənt/

      stellende trap

      oprukkendoprukkendeoprukkends

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren