Opschik
uncommonZipf 1.8
zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord
de opschik
Zelfstandig naamwoord/'ɔpsxɪk/enkelvoud
opschikopschikjemeervoud
opschikjesopschikken
Werkwoord/'ɔpsxɪkən; 'ɔpsxɪkə/infinitief
opschikkentegenwoordige tijd
schik opopschikschikt opopschiktschikken opopschikkenverleden tijd
schikte opopschikteschikten opopschiktentegenwoordig deelwoord
opschikkendopschikkende
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.