NEDERLANDS
🇳🇱

    Opstoot

    uncommonZipf 2.4

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de opstoot

      Zelfstandig naamwoord/'ɔpstot/

      enkelvoud

      opstootopstootje

      meervoud

      opstotenopstootjes
    • opstoten

      Werkwoord/'ɔpstotən; 'ɔpstotə/

      infinitief

      opstoten

      tegenwoordige tijd

      stoot opopstootstoten opopstoten

      verleden tijd

      stootte opstiet opopstietopstoottestootten opstieten opopstietenopstootten

      tegenwoordig deelwoord

      opstotendopstotende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren