Overtrekken
uncommonZipf 2.1
bekleedsel; voorbijdrijven; calqueren; halen; oversteken; bekleden; overdreven voorstellen
de/het overtrek
Zelfstandig naamwoord/'ovərtrɛk/bekleedsel
enkelvoud
overtrekovertrekjemeervoud
overtrekkenovertrekjesovertrekken
Werkwoord/'ovərtrɛkən; 'ovərtrɛkə/voorbijdrijven; calqueren; halen; oversteken
infinitief
overtrekkentegenwoordige tijd
trek overovertrektrekt overovertrekttrekken overovertrekkenverleden tijd
trok overovertroktrokken overovertrokkentegenwoordig deelwoord
overtrekkendovertrekkendeovertrekken
Werkwoord/ovər'trɛkən; ovər'trɛkə/bekleden; overdreven voorstellen
infinitief
overtrekkentegenwoordige tijd
overtrekovertrektovertrekkenverleden tijd
overtrokovertrokkentegenwoordig deelwoord
overtrekkendovertrekkende
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.