NEDERLANDS
🇳🇱
  • Passeren
    Werkwoordvoorbijgaan inhalen

Passeren

  • passeren

    Werkwoord

    voorbijgaan; inhalen

    1. voorbijgaan/voorbijrijden

      Langs iets of iemand heen gaan of rijden; ook gebruikt voor tijd die voorbijgaat.

      De trein passeerde het station zonder te stoppen.

    2. inhalen/overtreffen

      Iemand of iets sneller passeren, bijvoorbeeld in het verkeer of in een wedstrijd.

      Op de autoweg passeert de rode auto de vrachtwagen.

    3. formeel/bekrachtigen

      Een officiële akte of document door een notaris laten tekenen en geldig maken.

      De notaris passeerde de koopakte.

    een auto passeertiemand passerenhet station passerende tijd passeerteen vrachtwagen passeren

Blijf leren