Pauken
uncommonZipf 2.2
zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord
de pauk
Zelfstandig naamwoord/'pɔuk/enkelvoud
paukmeervoud
paukenpauken
Werkwoord/'pɔukən; 'pɔukə/infinitief
paukentegenwoordige tijd
paukpauktpaukenverleden tijd
pauktepauktentegenwoordig deelwoord
paukendpaukende
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.