NEDERLANDS
🇳🇱

    Pauken

    uncommonZipf 2.2

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de pauk

      Zelfstandig naamwoord/'pɔuk/

      enkelvoud

      pauk

      meervoud

      pauken
    • pauken

      Werkwoord/'pɔukən; 'pɔukə/

      infinitief

      pauken

      tegenwoordige tijd

      paukpauktpauken

      verleden tijd

      pauktepaukten

      tegenwoordig deelwoord

      paukendpaukende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren