NEDERLANDS
🇳🇱

    Pijp

    A2top5000Zipf 4.1

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de pijp

      Zelfstandig naamwoord/'pɛɪp/

      enkelvoud

      pijppijpje

      meervoud

      pijpenpijpjes
    • pijpen

      Werkwoord/'pɛɪpən; 'pɛɪpə/

      infinitief

      pijpen

      tegenwoordige tijd

      pijppijptpijpen

      verleden tijd

      pijptepijpten

      tegenwoordig deelwoord

      pijpendpijpende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.