NEDERLANDS
🇳🇱

    Pluizen

    B1uncommonZipf 2.7

    bloei; voorwerp; afknagen; peuteren; pluisjes afgeven; uit elkaar trekken; reinigen

    • de pluis

      Zelfstandig naamwoord/'plœys/

      bloei; voorwerp

      enkelvoud

      pluispluisje

      meervoud

      pluizenpluisjes
    • pluizen

      Werkwoord/'plœyzən; 'plœyzə/

      afknagen; peuteren; pluisjes afgeven

      infinitief

      pluizen

      tegenwoordige tijd

      pluispluistpluizen

      verleden tijd

      pluisdepluisden

      tegenwoordig deelwoord

      pluizendpluizende
    • pluizen

      Werkwoord/'plœyzən; 'plœyzə/

      uit elkaar trekken; reinigen

      infinitief

      pluizen

      tegenwoordige tijd

      pluispluistpluizen

      verleden tijd

      ploosplozen

      tegenwoordig deelwoord

      pluizendpluizende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.