NEDERLANDS
🇳🇱

    Prangen

    uncommonZipf 1.8

    werkwoord; zelfstandig naamwoord, enkelvoud

    • prangen

      Werkwoord/'prɑŋən; 'prɑŋə/

      infinitief

      prangen

      tegenwoordige tijd

      prangprangtprangen

      verleden tijd

      prangdeprangden

      tegenwoordig deelwoord

      prangendprangende
    • de prang

      Zelfstandig naamwoord/'prɑŋ/

      enkelvoud

      prang

      meervoud

      prangen

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren