NEDERLANDS
🇳🇱

    Prepareer

    uncommonZipf 2.4

    werkwoord

    • prepareren

      Werkwoord/prepa'rerən; prepa'rerə/

      infinitief

      prepareren

      tegenwoordige tijd

      prepareerprepareertprepareren

      verleden tijd

      prepareerdeprepareerden

      tegenwoordig deelwoord

      preparerendpreparerende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren