Pruttelende
uncommonZipf 1.8
werkwoord; adjectief
pruttelen
Werkwoord/'prʏtələn; 'prʏtələ/infinitief
pruttelentegenwoordige tijd
pruttelprutteltpruttelenverleden tijd
prutteldeprutteldentegenwoordig deelwoord
pruttelendpruttelendepruttelend
Bijvoeglijk naamwoord/'prʏtələnt/stellende trap
pruttelendpruttelendepruttelends
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.