NEDERLANDS
🇳🇱

    Pruttelende

    uncommonZipf 1.8

    werkwoord; adjectief

    • pruttelen

      Werkwoord/'prʏtələn; 'prʏtələ/

      infinitief

      pruttelen

      tegenwoordige tijd

      pruttelprutteltpruttelen

      verleden tijd

      prutteldepruttelden

      tegenwoordig deelwoord

      pruttelendpruttelende
    • pruttelend

      Bijvoeglijk naamwoord/'prʏtələnt/

      stellende trap

      pruttelendpruttelendepruttelends

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren