Put
A2top5000Zipf 4.1
diepte; (op)halen; een putt slaan
de put
Zelfstandig naamwoord/'pʏt/diepte
enkelvoud
putputjemeervoud
puttenputjesputten
Werkwoord/'pʏtən; 'pʏtə/(op)halen
infinitief
puttentegenwoordige tijd
putputtenverleden tijd
putteputtentegenwoordig deelwoord
puttendputtendeputten
Werkwoord/'pʏtən; 'pʏtə/een putt slaan
infinitief
puttentegenwoordige tijd
putputtenverleden tijd
putteputtentegenwoordig deelwoord
puttendputtende
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.