NEDERLANDS
🇳🇱

    Rank

    uncommonZipf 2.6

    adjectief; zelfstandig naamwoord, enkelvoud; als een rank groeien; van ranken ontdoen

    • rank

      Bijvoeglijk naamwoord/'rɑŋk/

      stellende trap

      rankrankeranks

      vergrotende trap

      rankerrankererankers

      overtreffende trap

      rankstrankste
    • de rank

      Zelfstandig naamwoord/'rɑŋk/

      enkelvoud

      rankrankje

      meervoud

      rankenrankjes
    • ranken

      Werkwoord/'rɑŋkən; 'rɑŋkə/

      als een rank groeien; van ranken ontdoen

      infinitief

      ranken

      tegenwoordige tijd

      rankranktranken

      verleden tijd

      rankterankten

      tegenwoordig deelwoord

      rankendrankende
    • ranken

      Werkwoord/'rɛŋkən; 'rɛŋkə/

      klasseren

      infinitief

      ranken

      tegenwoordige tijd

      rankranktranken

      verleden tijd

      rankterankten

      tegenwoordig deelwoord

      rankendrankende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren