NEDERLANDS
🇳🇱
  • Rit(de)
    Zelfstandig naamwoordhet rijden afstand
  • Rit(het)
    Zelfstandig naamwoordkikkerrit
  • Rit(de)
    Zelfstandig naamwoordmollenrit
  • Ritten
    Werkwoordbedrijvig lopen
  • Ritten
    Werkwoordgangen graven

Rit

  • derit

    Zelfstandig naamwoord

    het rijden; een afgelegde afstand of reis

    1. reis/afstand

      Een enkele reis of afstand die iemand aflegt met een voertuig of te voet.

      De rit naar het station duurt vijf minuten.

    2. handeling (het rijden)

      De periode of activiteit waarin iemand rijdt of wordt gereden; het besturen of meegaan in een voertuig.

      Tijdens de rit keek ik uit het raam en zag veel velden.

    een ritje makentaxiritbusrittreinritlange rit
  • hetrit

    Zelfstandig naamwoord

    kikkerrit

    1. zelfstandig naamwoord (o)

      kikkerrit

  • derit

    Zelfstandig naamwoord

    mollenrit

    1. basis

      mollenrit

  • ritten

    Werkwoord

    bedrijvig lopen

    1. basis

      bedrijvig lopen

  • ritten

    Werkwoord

    gangen graven

    1. graven

      Een gang of tunnel in de grond maken; meestal over dieren die onder de grond tunnels maken.

      De mol ritte een gang onder de heg.

Blijf leren