Rok
A2commonZipf 3.9
kledingstuk; op een spinrok winden
de rok
Zelfstandig naamwoord/'rɔk/kledingstuk
enkelvoud
rokrokjemeervoud
rokkenrokjesrokken
Werkwoord/'rɔkən; 'rɔkə/op een spinrok winden
infinitief
rokkentegenwoordige tijd
rokroktrokkenverleden tijd
rokteroktentegenwoordig deelwoord
rokkendrokkende
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.