Scheept
schepen
Werkwoordper schip reizen
- met een schip of boot varen, een reis over water makenIk vaar graag op het meer.
- iemand ergens achterlaten of in de steek laten, vaak zonder dat die persoon het verwachtHij liet zijn broer achter op het station.
- aan boord van een schip gaan om te vertrekkenDe reizigers schepen in voor hun vakantie naar de Waddeneilanden.
scheep
Bijwoordte water
- op een schip of aan boord van een schipWe zijn aan boord van de veerboot naar Texel.
- (uitdrukking) ergens mee beginnen of aan iets beginnenIk begin met mijn huiswerk.