NEDERLANDS
🇳🇱

    Schut

    uncommonZipf 2.4

    werkwoord; zelfstandig naamwoord, enkelvoud

    • schutten

      Werkwoord/'sxʏtən; 'sxʏtə/

      infinitief

      schutten

      tegenwoordige tijd

      schutschutten

      verleden tijd

      schutteschutten

      tegenwoordig deelwoord

      schuttendschuttende
    • het schut

      Zelfstandig naamwoord/'sxʏt/

      enkelvoud

      schutschutje

      meervoud

      schuttenschutjes

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren