Slippen
deslip
Zelfstandig naamwoordafhangend deel; smalle strook
afhangend deel
Het naar beneden hangende, vaak puntige deel van iets (bijvoorbeeld van een vlag, vaandel of lint).
De slip van de vlag wapperde in de wind.
smalle strook
Een smalle, langwerpige strook materiaal; een losgesneden of loshangend stukje stof, papier of ander materiaal.
Ze knipte een slip van stof om de kapotte naad te repareren.
slip van de vlagslip van het vaandeleen slip van stofeen slip van papierslippen
Werkwoorduitglijden; grip verliezen
uitglijden
Met je voeten of lichaam wegglijden op een gladde ondergrond, waardoor je vaak valt.
Ik slipte op het ijs en viel op mijn knieën.
wegglijden (voertuig)
Wanneer de banden van een fiets, auto of motor de grip op de weg verliezen en het voertuig ongecontroleerd schuift of draait.
De auto slipte op de natte weg en schoof tegen de vangrail.
op het ijs slippenop de natte weg slippenuit de bocht slippenmet de auto slippen