NEDERLANDS
🇳🇱

    Slok

    A2top5000Zipf 3.9

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de slok

      Zelfstandig naamwoord/'slɔk/

      enkelvoud

      slokslokje

      meervoud

      slokkenslokjes
    • slokken

      Werkwoord/'slɔkən; 'slɔkə/

      infinitief

      slokken

      tegenwoordige tijd

      sloksloktslokken

      verleden tijd

      slokteslokten

      tegenwoordig deelwoord

      slokkendslokkende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.