Sloopt
desloop
Zelfstandig naamwoordafbraak van gebouw
- het afbreken of vernietigen van een gebouw of structuurDe aannemer zal het vervallen gebouw afbreken.
- de actieve handeling van het slopenDe handeling is noodzakelijk voor de renovatie.
- een deel of stuk dat van iets is gemaakt en dat is afgebroken of verdwenenDe overblijfselen van het oude gebouw liggen nog steeds op de bouwplaats.
de/hetsloop
Zelfstandig naamwoordafbraakhulpmiddel
- het proces of de handeling van slopen, meestal van gebouwen of structurenDe afbreking van het oude schoolgebouw is noodzakelijk.
- een plaats of gebied waar gesloopt wordtDe locatie van de sloop is goed te bereiken.
- schade of vernieling aan ietsVernieling van de gebouwen is niet toegestaan.
- diminutief van sloop, kleine sloop of afbraakHet sloopje was groter dan verwacht.
slopen
Werkwoordiets afbreken
- iets afbreken of vernietigen, meestal een gebouw of constructieHet afgebroken gebouw lag in puin.
- iets langzaam of met zorg afnemen of verwijderenIk verwijder de verf met een speciale oplossing.
- iemand geestelijk of emotioneel afbreken of verlagenHet afbreken van zijn zelfvertrouwen was niet de juiste aanpak.
sluipen
Werkwoordstil beweegend
- zachtjes en ongemerkt bewegenHet kind beweegt zachtjes om de slapende hond niet te storen.
- iets of iemand besluipenZe besloop de kat om een foto te maken.
- met een gevoel van onbehagen of spanning dichterbij komenDe ongemak dat ze voelde, was moeilijk te negeren.