NEDERLANDS
🇳🇱

    Sneeuwen

    A2commonZipf 3.3

    werkwoord; adjectief

    • sneeuwen

      Werkwoord/'snewən; 'snewə/

      infinitief

      sneeuwen

      tegenwoordige tijd

      sneeuwtsneeuwen

      verleden tijd

      sneeuwdesneeuwden

      tegenwoordig deelwoord

      sneeuwendsneeuwende
    • sneeuwen

      Bijvoeglijk naamwoord/'snewən; 'snewə/

      stellende trap

      sneeuwen

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.