NEDERLANDS
🇳🇱

    Snoek

    uncommonZipf 2.6

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de snoek

      Zelfstandig naamwoord/'snuk/

      enkelvoud

      snoeksnoekje

      meervoud

      snoekensnoekjes
    • snoeken

      Werkwoord/'snukən; 'snukə/

      tegenwoordige tijd

      snoektsnoekensnoek

      verleden tijd

      snoektesnoekten

      tegenwoordig deelwoord

      snoekendsnoekende

      voltooid deelwoord

      gesnoekt

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.