NEDERLANDS
🇳🇱

    Spijs

    uncommonZipf 2.5

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de spijs

      Zelfstandig naamwoord/'spɛɪs/

      enkelvoud

      spijsspijsje

      meervoud

      spijzenspijsjes
    • spijzen

      Werkwoord/'spɛɪzən; 'spɛɪzə/

      infinitief

      spijzen

      tegenwoordige tijd

      spijsspijstspijzen

      verleden tijd

      spijsdespijsden

      tegenwoordig deelwoord

      spijzendspijzende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren