NEDERLANDS
🇳🇱

    Sprankel

    uncommonZipf 2.1

    werkwoord; zelfstandig naamwoord, enkelvoud

    • sprankelen

      Werkwoord/'sprɑŋkələn; 'sprɑŋkələ/

      infinitief

      sprankelen

      tegenwoordige tijd

      sprankelsprankeltsprankelen

      verleden tijd

      sprankeldesprankelden

      tegenwoordig deelwoord

      sprankelendsprankelende
    • de sprankel

      Zelfstandig naamwoord/'sprɑŋkəl/

      enkelvoud

      sprankelsprankeltje

      meervoud

      sprankelssprankeltjes

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren