NEDERLANDS
🇳🇱

    Sprenkel

    uncommonZipf 2.1

    klem; druppel; scheepsterm

    • de sprenkel

      Zelfstandig naamwoord/'sprɛŋkəl/

      klem

      enkelvoud

      sprenkelsprenkeltje

      meervoud

      sprenkelssprenkeltjes
    • de sprenkel

      Zelfstandig naamwoord/'sprɛŋkəl/

      druppel

      enkelvoud

      sprenkelsprenkeltje

      meervoud

      sprenkelssprenkeltjes
    • de sprenkel

      Zelfstandig naamwoord/'sprɛŋkəl/

      scheepsterm

      enkelvoud

      sprenkelsprenkeltje

      meervoud

      sprenkelssprenkeltjes
    • sprenkelen

      Werkwoord/'sprɛŋkələn; 'sprɛŋkələ/

      uitstrooien

      infinitief

      sprenkelen

      tegenwoordige tijd

      sprenkelsprenkeltsprenkelen

      verleden tijd

      sprenkeldesprenkelden

      tegenwoordig deelwoord

      sprenkelendsprenkelende
    • sprenkelen

      Werkwoord/'sprɛŋkələn; 'sprɛŋkələ/

      vangen

      infinitief

      sprenkelen

      tegenwoordige tijd

      sprenkelsprenkeltsprenkelen

      verleden tijd

      sprenkeldesprenkelden

      tegenwoordig deelwoord

      sprenkelendsprenkelende
    • sprenkelen

      Werkwoord/'sprɛŋkələn; 'sprɛŋkələ/

      scheepsterm

      infinitief

      sprenkelen

      tegenwoordige tijd

      sprenkelsprenkeltsprenkelen

      verleden tijd

      sprenkeldesprenkelden

      tegenwoordig deelwoord

      sprenkelendsprenkelende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren