NEDERLANDS
🇳🇱

    Sproei

    uncommonZipf 2.4

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de sproei

      Zelfstandig naamwoord/'spruj/

      enkelvoud

      sproei

      meervoud

      sproeien
    • sproeien

      Werkwoord/'sprujən; 'sprujə/

      infinitief

      sproeien

      tegenwoordige tijd

      sproeisproeitsproeien

      verleden tijd

      sproeidesproeiden

      tegenwoordig deelwoord

      sproeiendsproeiende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren