Strijken
destrijk
Zelfstandig naamwoordwasgoed om te strijken
- De stapel kleren of wasgoed die nog gestreken moet worden, of het strijkwerk zelf.Ik heb nog een hele berg strijk liggen.
strijken
Werkwoordkleren glad maken
- Kleren of ander wasgoed glad maken met een heet strijkijzer.Ik strijk elke week mijn werkkleding.
- Met de hand zachtjes over iets of iemand heen bewegen.Ze streek liefdevol over de rug van de hond.
- Iets zachts of vloeibaars in een dunne laag op een oppervlak aanbrengen.Strijk een beetje jam op je boterham.
- Een vlag of zeil naar beneden halen, vaak als teken van overgave.De kapitein beval om de zeilen te strijken.