Trom
uncommonZipf 2.7
zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord
de trom
Zelfstandig naamwoord/'trɔm/enkelvoud
tromtrommetjemeervoud
trommentrommetjestrommen
Werkwoord/'trɔmən; 'trɔmə/infinitief
trommentegenwoordige tijd
tromtromttrommenverleden tijd
tromdetromdentegenwoordig deelwoord
trommendtrommende
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.