NEDERLANDS
🇳🇱

    Trom

    uncommonZipf 2.7

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de trom

      Zelfstandig naamwoord/'trɔm/

      enkelvoud

      tromtrommetje

      meervoud

      trommentrommetjes
    • trommen

      Werkwoord/'trɔmən; 'trɔmə/

      infinitief

      trommen

      tegenwoordige tijd

      tromtromttrommen

      verleden tijd

      tromdetromden

      tegenwoordig deelwoord

      trommendtrommende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.