Tronen
detroon
Zelfstandig naamwoordzetel van koning
- de officiële zetel van een koning of koningin tijdens ceremoniesDe troon is versierd met goud en edelstenen.
- het koningschap of de macht van een vorstDe koning zit op de troon.
tronen
Werkwoordprachtig zitten
- op een opvallende of trotse manier zitten of staanDe leraar troont achter zijn bureau.
- iemand met trots of plechtig ergens plaatsen of laten zittenDe koningin troont op haar troon tijdens de ceremonie.