NEDERLANDS
🇳🇱

    Troostend

    uncommonZipf 2.4

    werkwoord; adjectief

    • troosten

      Werkwoord/'trostən; 'trostə/

      infinitief

      troosten

      tegenwoordige tijd

      troosttroosten

      verleden tijd

      troosttetroostten

      tegenwoordig deelwoord

      troostendtroostende
    • troostend

      Bijvoeglijk naamwoord/'trostənt/

      stellende trap

      troostendtroostendetroostends

      vergrotende trap

      troostendertroostenderetroostenders

      overtreffende trap

      troostendsttroostendste

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren