Uitgerust
commonZipf 3.7
adjectief; rusten; van het nodige voorzien
uitgerust
Bijvoeglijk naamwoord/'œytxərʏst/stellende trap
uitgerustuitgerusteuitgerustsvergrotende trap
uitgerusteruitgerustereuitgerustersovertreffende trap
uitgeruststuitgeruststeuitrusten
Werkwoord/'œytrʏstən; 'œytrʏstə/rusten
infinitief
uitrustentegenwoordige tijd
rust uituitrustrusten uituitrustenverleden tijd
rustte uituitrustterustten uituitrusttentegenwoordig deelwoord
uitrustenduitrustendeuitrusten
Werkwoord/'œytrʏstən; 'œytrʏstə/van het nodige voorzien
infinitief
uitrustentegenwoordige tijd
rust uituitrustrusten uituitrustenverleden tijd
rustte uituitrustterustten uituitrusttentegenwoordig deelwoord
uitrustenduitrustende
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.